Translate

woensdag 17 juni 2015

Horizon

Vandaag, in het prairiegebied, heb ik naar mijn gevoel voor het eerst weer de horizon gezien. Tot nu toe zaten er steeds bergen in de weg. Voor het eerst heb ik weer de verte kunnen zien. In de verte kíjken kon wel, want de bergen waren niet meteen naast je en de gletsjers lagen op behoorlijke afstand. Maar waar was de horizon?

Op internet vind ik voor "horizon": "lijn in de verte tussen aarde en lucht" (woorden.org) of: "de denkbeeldige lijn tot waar men het aardoppervlak kan zien en waar het aardoppervlak en de lucht elkaar raken" (Wiktionary ).  In deze definities mis ik het begrip "op ooghoogte", dat onze tekenleraar Hopman in de lessen perspectief tekenen verbond met de horizon.

Ik raak een beetje in de war hier, van die definities. In ons platte land, ja, daar klopt het wel dat aarde en lucht elkaar raken op de horizon. Dat zag je ook op de prairies en daar was de horizon in de verte op ooghoogte. In de bergen zou de horizon dan dus soms boven 3000 meter moeten liggen, waar aarde en lucht elkaar raken. "Ooghoogte" ben je daar als het ware kwijt. 

En dan is er ook nog "einder". Houdt dat woord nu in dat er een einde is aan wat je ziet? Of bedoelt het de eindeloosheid? Voor mijn gevoel passen "horizon" en "einder" bij de enorme wei- en hooilanden, prairies. Niet bij de hoge bergen waar we de eerste tien, twaalf dagen tussen leefden. Zij beperkten mijn blik. Of beter misschien: ze voerden die blik omhoog, naar de toppen, met of zonder sneeuw.

Is mijn horizon nu verbreed of verhoogd?

Landschappen - 2

"Zoveel mogelijk verschillende landschappen zien" was een van onze doelen met deze reis. Nou, we zijn goed halverwege en ik weet nu al niet meer hoeveel we er hebben gezien. Ligt er natuurlijk ook aan waar je de grens trekt, want je kunt denken "bos = bos" en dan tellen alle bossen voor één landschap. Of je maakt onderscheid op een helebóel punten. Ik houd het maar een beetje in het midden en ga af op mijn geheugen, zonder in mijn dagboek te kijken, dan blijven de meest indrukwekkende over. 

Bij Vancouver hebben we al even kennisgemaakt met het gematigd regenwoud; straks op Vancouver Island nog meer. Dichte bossen met veel verschillende naaldbomen en ondergroei van loofhout. Vochtig; veel geluiden van vogels die je niet ziet. Op Mt Revelstoke wees men op het "sneeuwwoud": voor ons vooral bossen van kaarsachtige Hemlocksparren met nog sneeuw op de bodem, vochtige ondergrond, ook hier.

Op verschillende plaatsen hebben we diepe canyons met hoge steile wanden gezien met onderin een snelstromende rivier. Je realiseren dat het water die diepte heeft geschapen.... Doordat de steensoort van de bergen wisselt en daarmee de plantengroei, is het nergens hetzelfde.

De woestijn: heel anders dan je je voorstelt of dan ik eerder ten oosten van San Diego had gezien. Hier vooral schaars begroeide bergen, grijs van de sagebrushes en artemisia. Duidelijk andere vogels dan in de bergen. Voorbeeld: de prachtige Californische kuifkwartels. De hele atmosfeer deed ook meer aan zoals op Sint Maarten.

Het ruige rotsenlandschap van de Rocky Mountains, wel het meest spectaculair. Hoge spitse bergen met sneeuw en gletsjers en daartussen licht grijsgroene rivieren en turkooizen meren. Een duidelijke boomgrens. Onherbergzaam, maar doordat het, op die ene sneeuwbui na, prachtig weer was niet onheilspellend.

Bergweiden en bermen: de "meadows" op Mt Revelstoke bloeiden nog niet toen we er waren, maar inmiddels hebben we op een heleboel andere plekken wel een indruk gekregen van de enorme kleurenrijkdom: rood van Paintbrush en een havikskruid, wit van margrieten, blauwe lupinen en gele arnica, morgenster, boterbloemen en havikskruiden. Hier en daar al een wilgenroosje. En nog veel meer, maar deze zijn het meest uitgesproken. Ook zijn er de "moosemeadows": gebiedjes met vooral veel lage wilgengroei waar de elanden blijkbaar van houden.

Watervallen en stroomversnellingen zijn er in allerlei soorten en maten, heel smal en heel breed, heel hoog (121 m) en laag. Gewoon over de stenen, een rand, onder een natuurlijke brug door of in de krater van een oude vulkaan naar beneden denderend. Alles is mogelijk.

Dat geldt ook voor de rivieren.  De Stuart River waar we nu aan kamperen is vergelijkbaar met een brede rivier in Nederland, wat ondieper en met bos langs de kanten. Veel rivieren zijn zó ontzettend lang dat ze heel veel verschillende vormen hebben. Neem de Fraser River die we steeds weer tegenkomen, van zuid naar noord. Trouwens een van de belangrijkste zalmrivieren. Dan is hij breed en vol, dan heel smal in een canyon, dan waaiert hij uit in een breed dal met zandbanken en bosjes, soms ook met bomen. Op veel plaatsen zie je niet meer dat de enorme rivier zich verdeeld heeft in een heleboel slingerende stroompjes. Gemakshalve noemen wij dat dan maar "kreken", hoewel het woord "creek" hier meestal een bergbeek aanduidt. Het zou een mooi idee zijn om alleen al de Fraser River te volgen en te beschrijven wat je allemaal ontmoet onderweg.

De prairies zijn anders dan ik dacht, anders ook dan ik in Amerika heb gezien. Hier zijn het vooral heel grote weide- en hooilanden, een beetje golvend, mooi gekleurd door de vele bloemen. Hier en daar koeien. Maar vooral zijn ze heel erg uitgestrekt, uitgestrekter en vooral ook veel kleuriger dan het platte land van Noordoost-Groningen.

Rond Wells Gray Provincial Park deden de bossen, het hele landschap trouwens, ons sterk denken aan Scandinavië. Het was er minder weids, er was meer afwisseling tussen bos en open landschap. Er zijn in die gebieden ook niet veel verschillende soorten naaldbomen, zoals wel in het regenwoud. Later, rond Highway 16 West, tussen Vanderhoof en Smithers, was er ook weer een stuk "Scandinavië", alleen juist veel weidser.

Dan de "marshes", de gebieden met open water en rietlanden, wilgen ook. Je ziet ze op verscheidene plaatsen bij steden, want ze dienen daar meteen ook als laatste onderdeel van de waterzuiveringsinstallatie. In feite vergelijkbaar met "Vattenreningsverket" bij Skillingaryd. Ze laten een enorme soortenrijkdom aan water- en zangvogels zien en vormen een prachtige gelegenheid om de voor ons veelal nieuwe soorten van dichtbij te kunnen gadeslaan.

De fjorden, het strand en de zee komen nog.

Campgrounds

Iedere avond is het weer een verrassing waar we terechtkomen. Van huis uit hadden we een paar campings besproken en daardoor konden we op internet wel een beetje zien hoe ze eruit zagen. Maar de meeste prikken we toch hier door in het grote groene boek te kijken, waar we de Amerikaanse bladzijden hebben uitgehaald. We bepalen, mede aan de hand van ons reisschema, waar we de volgende avond willen zijn en zoeken dan een campground die ons lijkt te passen. Vooral op basis van de faciliteiten. In Provincial Parks is er bijvoorbeeld bijna nooit stroom voorhanden en dat hebben we af en toe wel nodig om laptop en iPad op te laden. (Camera en iPad lukt ook via de sigarettenaansteker in de RV.)

We hebben op grote en kleine campgrounds gestaan, op grasveldjes, aan een rivier en een meer, tussen de bomen en op combinaties daarvan, onderaan een hoge besneeuwde berg bijna op het golfterrein. Je hebt op campings met bomen verschillende typen plaatsen voor RV's: back-ups, daar moet je achteruit inrijden, of pull-throughs, waar je als het ware doorheen rijdt. Bij elke plek hoort een picknicktafel. In rijen tussen heggetjes staan, zoals je op de grote campgrounds langs de weg nogal eens ziet, hebben we nog kunnen voorkomen. De laatste camping, in Vancouver, als we de RV moeten schoonmaken, is wel op die manier ingericht.

Omdat we duidelijk in het voorseizoen zijn, is het vrijwel overal heel rustig. Een aantal campings en ook "attracties" zijn zelfs nog niet open. Op twee plaatsen was de camping (bijna) vol, maar dat was dan ook in Banff en Jasper. In Jasper hadden ze daarom maar de winter-parkeerplaats van het National Park geopend: daar zijn stroomvoorzieningen en dus stonden we, weliswaar ruim, mannetje aan mannetje op het asfalt. De camping in Fort St James was bijna vol, maar niet met toeristen. Hier waren het seizoensarbeiders die hun trailer (een soort caravan die vastgemaakt wordt op de pick-up, de meest voorkomende auto hier) meenemen in het kader van "mens volgt werk" (zo'n ROC-kreet). 

Dat valt trouwens wel op: bij heel veel huizen staan RV's of trailers, ook wel te verschroten, maar meestal gebruiksklaar. Canada is een groot land met een andere arbeidsmoraal: het is hier duidelijk gewoner om delen van het jaar elders te werken en wat is er dan handiger dan je eigen huis meenemen. Daarbij komt nog dat veel werkers, zoals aan de weg of in een National Park, 's avonds niet even naar huis kunnen. Daarvoor zijn de afstanden veel te groot. We zagen zelfs wegwerkers die hun vrouw bij zich hadden. Andersom vast ook wel, want er waren ook veel vrouwelijke werkers aan de weg.

Een aantal campgrounds hebben we betaald door geld in een envelop te doen en die in een soort kluisje te gooien. Op de meeste campgrounds word je allerhartelijkst ontvangen door de eigenaars, ook weer allerlei verschillende mensen. Bij Dutch Lake was er een vriendelijke Chinees die niet zoveel wist van de omgeving, in Valemount een aardige oude dame die ons op haar golfkarretje voorging naar #6 Whisky Road. Op Anderson Creek Campground bij Hell's Gate werden we verwelkomd door een ruige oudere man, behulpzaam met alles. In de National Parks staan veelal jonge mensen aan de balies en bij de ingangen. Bij Columbia Icefields vertelde een meisje dat ze daar met 104 mensen werkten uit allerlei verschillende staten en landen. Zij was de enige uit Alberta (de staat waarin dit deel van de Rocky Mountains ligt), maar ze had ook collega's uit bijvoorbeeld Finland en Australië.

Wat betreft de wasgelegenheden en toiletten: die zijn altijd schoon, ook als ze wat ouder zijn, zoals bij Whispering Willows, een kleine campground waar we lange tijd de enige bezoekers waren, op de vele groundsquirrels na. Het is er altijd fris en verzorgd. Dat betekent niet dat ze tien keer per dag schoongemaakt worden, zoals je dat ziet in Nederland. Nee, de bezoekers laten hier duidelijk beter de boel achter zoals ze die hebben gevonden. 

Nu gaan we op weg naar de kust, kijken wat ons daar wacht.

Nogmaals: plaatjes bij praatjes

Een oplettende lezer maakte mij erop attent dat het niet lukte om foto's te bekijken. Dat blijkt te kloppen, want de meegestuurde link in het vorige bericht was niet goed. Hier komt een nieuwe poging. Klik op deze blauwe tekst:  rumperyd.weebly.com. Klik op 'more...' En dan op 'Canada 2015'. Dat moet lukken.

zondag 14 juni 2015

Landschappen - 1

Kom je na een aantal zonnige dagen en veel "Aah" en "Ooooh" en "Adembenemend" uit de Rocky Mountains, op weg naar Mt Robson in een gebied dat stukken minder ruig is. Veel meer begroeiing, zowel in het dal als op de, ook minder steile, berghellingen. De boomgrens ligt hier beduidend hoger. Het regent steeds een beetje. Stiekem zeggen we tegen elkaar: 'Zijn we niet te veel verwend? Nee, vast niet, we vinden het in Rumperyd en Lochem ook nog altijd mooi.'  Toch misschien wel een beetje geruststellend.

Mt Robson, de hoogte (3900 en nog wat) berg van Canada ligt op deze toch wat sombere dag met de top in de wolken. 'Gelukkig,' zegen we tegen elkaar, 'is dat bijna altijd het geval. Dus we missen niet echt iets.' Ja, zo praat je dan. 

We rijden door naar Valemount, dal tussen de bergen. De zon begint weer wat te schijnen en voor ons ligt inderdaad een heel breed dal tussen bergen in de verte met toch ook weer sneeuw op de toppen. Ze lijken veel lager dan de Rocky Mountains, maar zijn dat niet echt. Op de Yellowhead Campground wijst de oude dame aan de balie ons op "Starrat Wildlife Sanctuary". Daar zijn twee vogeltorens, dus mooi voor nog een wandeling.

En dan gebeurt het: in het bosje naar de rietlanden, vinden we ineens een ondergroei zoals in Småland-voor-de-zure-regen. We staan bijna te dansen van opwinding bij grote plekken met bloeiende Linnéusklokjes, een Canadese kornoelje (groter dan de Zweedse), een soort dalkruid, verschillende soorten rondbladig wintergroen en een heel bijzondere Salomonszegel met pluimen aan de toppen van de stengels.

Maar daarmee was het nog niet afgelopen. In de rietlanden, die min of meer kunstmatig in stand zijn gehouden door indijking en door de aanleg van broed-eilandjes, ontdekken we binnen de kortste keren achttien verschillende vogelsoorten. De meeste nieuw voor ons. Er zitten er vast en zeker veel meer, maar dit was we op deze bijzondere middag konden behappen. Het terrein lijkt op het gebied bij Skillingaryd waar men, net als hier, van de natuurlijke begroeiing gebruik maakt om het afvalwater te zuiveren.

Nog even een paar van de vogels die daar ons hart sneller deden kloppen: Turkey Vulture,  Cedar Waxwing (pestvogel), Yellowheaded en Redwing Blackbird (merelsoorten), Cinnamon-, Bluewinged en Greenwinged Teal (talingsoorten), American Wigeon (smient), Wood Duck (Carolina-eend). En dan "gewone" wilde eenden en meerkoeten.

Later op de Campground zag Eddie bij de rivier nog een Belted Kingfisher, een ijsvogeltje.... De spanning blijft, ook na de Rockies!

Plaatjes bij de praatjes - via een omweg

Om verschillende redenen lukt het me niet om foto's bij de teksten te plaatsen. Maar vanochtend werd ik wakker met een lumineus idee. Via een omweg, weebly.com, zijn er nu toch wat eerste plaatjes te zien. Ze staan ook op Facebook, maar niet iedereen "is daar op", dus voor degenen die toch wat illustraties willen zien: klik hier: Småbitar - Canada 2015. Dan moet het lukken....

zaterdag 13 juni 2015

Uitstapjes 9 - 11 juni

Banff is de hoogst gelegen plaats van Canada en dan ook nog in een schitterend gebied. Dat trekt natuurlijk toeristen, maar zoveel als er hier nu al zijn: dat belooft nog wat voor de zomer. We hebben het ervaren bij Moraine Lake, een van de (vrij) vele grote, turkooizen meren tussen de hoge bergen met sneeuw en gletsjers. Er waren zoveel mensen, bussen vol, m.n. Amerikanen en Japanners, dat we er snel weer weggevlucht zijn. Nog wel gezien dat het meer z'n naam dankt aan de vele zand- en steenlawines (morenen) die er langs zijn.

Emerald Lake (Yoho NP) met kanotocht
Bij Emerald Lake was het bij lange na niet zo druk, het ligt ook verder van Banff. Dus het was een verademing. Ook dit meer was turquoise, emerald, en lag prachtig. Er werden kano's verhuurd, dus we konden de verleiding niet weerstaan en hebben een uurtje rondgevaren (zonder kroonsteentjes) en van de stilte en de omgeving genoten vanuit een heel ander gezichtspunt.

We zijn niet zo arrogant dat alleen het grote wild, zoals elanden en beren, voor ons telt. Dus toen we op weg naar de kabelbaan die ons over berenland, de gezellige Ground Squirrels op het gras heen en weer renden, hebben we daar ook zeker naar gekeken. Maar daar waren we niet vroeg voor opgestaan,. Wel om eerst te ontbijten in de Lodge of The Ten Peaks en vervolgens met de skilift naar een hoogte van 2136 m te "varen" om beren te zien. Van beneden af zagen we ze trouwens al tegen de hellingen waar 's winters geskied wordt: grazen van de paardebloemen en het frisse gras. Toen we eenmaal naar boven werden gehesen hebben we in totaal zeven (7) verschillende grizzly's gezien,
zowel moeder met jong als alleengaanden. Bij de tweede keer naar boven, wat bij de prijs inbegrepen
was, zagen we vier stuks nog een keer. Twee leerden door voor ijsbeer, want die lagen te zonnen in de sneeuw.
Boven was er een steile wandeling naar een Wildlife Interpretive Centre dat op heel duidelijke en aantrekkelijke manier informatie gaf over de verschillende wilde dieren die hier voorkomen. Niet alleen de beren waren het aanzien meer dan waard, ook de bergen om ons heen. Weer een van de hoogtepunten op deze tocht.

De Bow Valley Parkway was ons een beetje tegengevallen (zo arrogant zijn we dan ook weer wel). Je rijdt wel erg veel tussen de bomen en we zagen alleen een paar elks (wapitiherten), geen beren. Bovendien was de weg tussen 20.00 en 8.00 uur, de beste tijd om te spotten, afgesloten om het wild in deze tijd van het jaar, terecht, rust te gunnen.
Op de Ice Field Parkway zeiden we vele keren tegen elkaar dat het zo schitterend, indrukwekkend, magnifiek, imposant, fantastisch was. Wat we ons ons heen zagen, valt ook nauwelijks te beschrijven, in elk geval niet door mij. En het lukt nog niet om, vanwege de zeer beperkte toegang tot internet, de plaatjes bij de praatjes te leveren. We zijn onderweg diverse keren gestopt om het landschap in ons op te nemen en vooral om niet steeds foto's te maken, want dan herinner je je later niets meer. Ook hier weer die machtige bergen, steeds anders van vorm en kleur, met ijs, sneeuw en water. Met weer turkooizen meren, zoals Waterfowl Lake, dat z'n naam eer aan deed, want er zwom zegge en schrijve één Bufflehead, een duikeend.
Na de bergwandeling bij Lake Louis kon er nog net één bij: naar Peyto Lake Viewpoint. Onderweg veel prachtige witte ranonkels, twee soorten, de een leek veel op wildemanskruid. Hoewel het hier ook aardig druk was, was het best te doen en hebben we het landschap goed in ons kunnen opnemen. Ja, weer bergen met ijs en sneeuw en een meer met turquoise water....  En weer schitterend.

Columbia Icefield and Glacier Skywalk
Een hele rustdag hebben we uitgetrokken voor het Icefield Centre en de gletsjertongen die hier naar beneden komen vanaf Columbia Icefield, 325 km2 groot. Natuurlijk mag je daar niet bovenop, maar om de mensen toch goed te informeren is er een mogelijkheid om met een bus de gletsjer op te gaan en daar rond te lopen. Dat hebben wij niet gedaan, want in Noorwegen (!) hebben we al eens een tocht gemaakt op Jostedalbren. Bovendien heb ik er wat moeite mee dat de gletsjer, die zich terugtrekt als iedere andere, "aangetast" wordt. Met bordjes is aangegeven waar de gletsjer lag in 1908, 1925 en 1935. Daaraan zie je dat ook toen al de gletsjers slonken.
Vanaf de parkeerplaats is Eddie nog wel naar het beginpunt van de Athabasca Glacier gelopen, waar onderzoek wordt gedaan. 
Het was de hele dag wat wisselend bewolkt, ook toen we in de shuttle naar de Glacier Skywalk reden. Maar toen we bij deze gigantische constructie van cortenstaal, kabels en glas kwamen, begon de zon volop te schijnen. Prachtige vergezichten over bergen en gletsjers. Diep in het dal (300 meter onder ons) zag je hoe de snelstromende, licht grijs-groene Sunwapta River een U-vormig dal had uitgesleten, waarin veel watervallen op uitkwamen. Tegen de rotsen op zagen we een Mountain Goat, een klipgeit. Een oude Chinese man maakte ons erop attent, door steeds harder "geit" (zoiets als "tónjón") te zeggen in zijn eigen taal...